Wat men zich
in het verre Oosten nog van het bruidspaar herinnert.
Elly en Peter Hassink
1948-1952. Samen op het grachie, de bruid ex-, ik intern. We trokken veel met elkaar op. Ik was altijd jaloers op de goede wiskunde cijfers van Toos en ……. op de afspraakjes met André. Op het bruggetje. Dankzij die verboden afspraakjes hebben we nu dit zilveren feest. Ik mocht ook eens komen logeren, een heerlijkheid voor een kostschoolkind, dat alleen tijdens de vakanties naar huis kon.
Jaren later: ik kom eens bij Toos en André in de Gibraltarstraat op bezoek. Zit Toos me daar rustig achter een weefgetouw of iets dergelijks om voor Tineke een jurkje te weven. Tineke was in die dagen nog maar een (schattige) baby. Om me heen kijkend denk ik. hoe bestaat het; het kind zou bij mij voorlopig naakt verder moeten.
In ……(jaartal vergeten) komen Pa en Moe een keer in Enschede logeren. Toos arriveert deftig per trein, André zal (vanwege de financiën of uit sportiviteit) op de fiets komen. Het is één van die zeldzame warme zomerdagen. André maar schelden op die “koperen ploert”. ’s Nachts hevige consternatie. Ligt André daar kermend op z’n kermisbed: de dokter gebeld, een ambulance arriveert en André belandt in het ziekenhuis.
Die arme stakker met z’n A.B. Neder lands tussen rasechte Twentenaren. Hij heeft er misschien nog communicatiestoornissen aan overgehouden.
Zou hij minder dol op bitterkoekjespudding zijn; we zouden de zilveren bruidegom hier nooit meer gezien hebben.
Elly